|
Fontana d´Israel / Israelis
Brünnlein
Zoals de bloemrijke titel zegt, heeft Schein voor zijn ‘geestelijke madrigalen’ geput uit de bron van Israel, d.w.z. uit de Joodse bijbel, de Tenach, in christelijke kringen vooral bekend onder de naam: het Oude Testament. Van de 26 composities zijn 23 inderdaad op teksten uit het Oude Testament, waarvan 11 uit het boek der Psalmen. (Eén tekst is aan het Nieuwe Testament ontleend en twee zijn van Scheins eigen hand). Schein noemt die teksten Kraftsprüchlein, wat zoveel wil zeggen als krachtige spreuken, teksten die je wat doen, die je raken, waar je wat aan hebt, en die heeft hij dan op een bijzonder gracieuze, nl op een Italiaans madrigaalse manier getoonzet. Zo worden het bijna ‘in-cantaties’. Niet dat Schein zelf de hele bijbel heeft doorgespit op zoek naar passende teksten. Hij heeft hier kunnen putten uit een lange traditie. Altijd al heeft men uit de 66 bijbelboeken teksten verzameld en apart gezet om als ‘troostwoord’ of ‘bemoediging’ te dienen. Vele zijn zo in speciale missen of vieringen terechtgekomen als lezing of bezinningstekst. In de protestantse traditie waar ‘het Woord’ als direct geïnspireerd door God werd (wordt) beschouwd, krijgen bijbelwoorden een bovenmenselijk aureool. Ze vullen ook gedeeltelijke het gat dat gevallen is toen de ‘roomsche superstitiën’ niet meer religieus correct waren (In plaats van ‘een kaarsje branden’ of de ‘sacrament der zieken/stervenden’ te bedienen, spreken protestanten elkaar nog steeds vaak een ‘Schriftwoord’ toe of lezen ze een bijbelgedeelte, vaak een psalm. ) Ongetwijfeld kon Schein dus terugvallen op bloemlezingen, als hij deze teksten al niet gewoon paraat had. ‘Spruchmotetten’ (op bijbelteksten, vooral evangelie en psalmwoorden) is een muziekgenre dat na 1550 een grote opgang maakt in het protestantse Duitsland. |
| Geestelijke madrigalen Uit de inleiding van het Israelsbrünnlein[3]blijkt dat het hier gaat om een verzamelbundel van ‘Kasualmotetten’, d.w.z. muziekstukken die ter gelegenheid van huwelijken, begrafenissen, academische promoties en allerlei andere publieke evenementen zijn gecomponeerd en uitgevoerd[4]. De muzikaal opvallendste zinsnede is dat deze Kraftsprüchlein op ‘Italian. (=Italianisch) Madrigalische Manier’ zijn gecomponeerd. Hiermee wil Schein aansluiten bij de muzikale ontwikkelingen in Italië die veel sterker dan voorheen het gevoel van de luisteraar bespelen. En inderdaad zien wij Schein al zijn kunde als musicus in de strijd werpen om de gevoelswaarde of de diepe betekenis van de bijbelteksten te verklanken, zodat de ‘krachtspreuken’ nog krachtiger kunnen inwerken op het gemoed van de toehoorder om daar hun heilzaam werk te doen. Het ‘gevoelsgehalte’ van de tekstwoorden is (ook letterlijk) maatgevend voor de harmonie, de melodievoering, het ritme, de declamatie en de opbouw van het hele stuk. Schein zoekt uit de tekst te halen wat er aan tegenstellingen, spanningen en bewegingen in zit en bouwt vandaaruit zijn muziekstuk op. Toch blijft Schein hierbij ook oog houden voor de ‘vorm’ en de ‘logische ontwikkeling’. De polyfonie en het contrapunt is hij niet vergeten, maar zet hij juist in ter ondersteuning van de expressiviteit. Hierin is Schein eerder vergelijkbaar met Marenzio en Monteverdi dan met een componist als Gesualdo die in zijn madrigalen alles zet op het direkte ‘Affekt’ en nauwelijks meer geïnteresseerd is in de vorm. Friedrich Blume vat het gevolg van deze bëinvloeding van de Duitse kerkmuziek door ontwikkelingen in Italië mooi samen als hij schrijft: Het hoogbarokke Italië leverde de middelen; het ideeëngoed werd door het Lutheranisme verschaft. Zo ontrolt zich een fascinerend schouwspel voor onze ogen. We zien protestantse musici verworted in hun eigen traditie vanuit een Lutherse geest het formele werktuig van de wereldse en kerkelijke muziek van Italië omsmeden om een geheel eigen muziek te creëren, een klankgeworden lutherse belijdenis.[5] Schein is van de Duitse componisten uit die periode beslist de meest expressieve en uitbundige. De ‘Italian. Madrigalische Manier’ lag hem blijkbaar goed. De ‘pathetiek’ (van pathos = het aangedaan zijn, het geraakt worden) in de protestantse kerkmuziek is (naar mijn aanvoelen ) na Schein nooit meer zo intens en op zo´n hoog niveau tot uitdrukking gekomen. Vergeleken met Schein klinkt wat Bach een eeuw later doet nog behoorlijk gereserveerd. Misschien is wat Schein doet ook wel de grens van wat kan zonder kitsch te worden. Christelijke pathetiek klinkt immers al gauw vals. |
| [3] opgedragen aan zijn broodheren: de burgemeesters en overige raadsheren van de stad Leipzig, waar hij sinds 1616 als Cantor van de Thomasschool en Director Musices μουσικής,Griekse genetief: Directeur van de muziek, d.w.z. verantwoordelijk voor de officiële muziek van/in de stad) was aangesteld. [terug] [4] ..componiret, und bey fürfallenden occasionen musiciret. [terug] [5] F. Blume, Geschichte der evangelischen Kirchenmusik, S. 122 (Bärenreiter 1965) [terug] |
Bron: |